Arresten over verlengde navorderingstermijn van grote invloed op zwartsparen

De Hoge Raad heeft recent beslist dat de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar niet van toepassing is op verzwegen, binnenlandse omzet. Ook al zijn de gelden nadien op een buitenlandse bankrekening gestort. Ook heeft de Hoge Raad beslist dat omkering van de bewijslast niet aan de orde is bij de vraag of nagevorderd mag worden, ongeacht of het de normale of de verlengde navorderingstermijn betreft.

De Hoge Raad heeft recent beslist dat de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar niet van toepassing is op verzwegen, binnenlandse omzet. Ook al zijn de gelden nadien op een buitenlandse bankrekening gestort. Ook heeft de Hoge Raad beslist dat omkering van de bewijslast niet aan de orde is bij de vraag of nagevorderd mag worden, ongeacht of het de normale of de verlengde navorderingstermijn betreft. Deze arresten zijn van grote invloed op dossiers waarin sprake is van verzwegen buitenlands vermogen.

Achtergrond verlengde navorderingstermijn

Artikel 16 lid 4 AWR bepaalt dat indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen, de bevoegdheid tot navorderen vervalt door verloop van twaalf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Kort gezegd is volgens de wetgever de normale navorderingstermijn van vijf jaar in situaties als deze niet doeltreffend, omdat de fiscus in de praktijk pas veel later op de hoogte komt van verzwegen vermogen of inkomen in het buitenland. Door gebruikmaking van het buitenland wordt de Belastingdienst in de controlemogelijkheden beperkt, zo is de gedachte. 

In het buitenland gehouden of opgekomen volgens Hoge Raad

In de praktijk bestond onduidelijkheid over de vraag wanneer bestanddelen in het buitenland worden gehouden of zijn opgekomen. Vaak gaat het dan om de herkomst van het buitenlandse vermogen. In dit geval betrof het binnenlandse omzet van een onderneming in box 1, welke omzet nadien in het buitenland op een bankrekening werd gestort. Het gaat dan om winstbestanddelen waarvan de verwerving en ontvangst geen enkel aanknopingspunt hadden met een ander land dan Nederland. In zo'n geval kan volgens de Hoge Raad niet worden gezegd dat de winstbestanddelen zijn opgekomen in het buitenland. Dit wordt niet anders indien deze bedragen naderhand buiten het zicht van de Nederlandse belastingdienst op een buitenlandse bankrekening worden gestort. Het tijdsverloop tussen de ontvangst van die bedragen en de storting ervan op de buitenlandse bankrekening is in dit verband niet van belang.

Duidelijkheid ook voor VPB

Dit arrest verschaft de praktijk veel duidelijkheid. Deze is bijzonder welkom vanwege de grote hoeveelheid inkeerzaken dat nog altijd aan de orde is en de jacht van de Belastingdienst op zwartspaarders. Behalve correcties in box 3 vanwege het aangehouden vermogen in het buitenland spelen in veel van deze zaken ook discussies met betrekking tot de herkomst van het vermogen. In de procedure ging het om een IB-onderneming, maar wij twijfelen er eigenlijk niet aan dat de uitkomst hetzelfde zou zijn geweest in het geval de onderneming in een vennootschap werd gedreven.   

Gevolgen voor box 2

Voor zover in het geval van een vennootschap de uitdeling van de omzet is aan te merken als een winstuitdeling in box 2, is de verlengde termijn in onze ogen evenmin aan de orde. De vraag of de verlengde termijn van toepassing is moet namelijk per bestanddeel bepaald worden – zo heeft de Hoge Raad eveneens beslist in dit arrest – en de winstuitdelingen vinden plaats vanuit de onderneming in Nederland. De inspecteur is aldus niet beknot in de controlemogelijkheden en uit het arrest leiden wij af dat verlengde navorderingstermijn enkel van toepassing is in het geval de geldstromen volledig buiten (het zicht van) Nederland blijven. 

Omkering van de bewijslast en informatiebeschikking 

De Hoge Raad beslist verder dat de omkering en de verzwaring van de bewijslast geen betrekking hebben op de vraag of de inspecteur bevoegd is om na te vorderen. Het gaat dan zowel om de normale navorderingstermijn van vijf jaar als de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar. Dat betekent dat een vastgestelde informatiebeschikking feitelijk tandeloos is geworden voor zover het niet beantwoorde vragen van de inspecteur betreft met betrekking tot de vraag of nagevorderd kan worden. Bijvoorbeeld vragen die zijn gericht op het aanwezig zijn van een nieuw feit. Een belastingplichtige kan in wezen niet langer verplicht worden om op grond van artikel 47 vragen te beantwoorden die betrekking hebben op de toepassing van artikel 16 AWR. Althans, er is geen sanctie meer binnen de AWR. In de praktijk is het dan ook van groot belang om te analyseren of vragen van de inspecteur betrekking hebben op de hoogte van de belasting of op formeelrechtelijke aspecten.

Meer informatie

Wilt u meer informatie over deze arresten en de gevolgen voor uw dossiers, aarzelt u dan niet contact met ons op te nemen. Ons kantoor is zeer deskundig op gebeid van zwartsparen en heeft al tientallen cliënten begeleid.

Door: Jits Berns

Bronnen: HR 16 maart 2018, nr. 17/01663, ECLI:NL:HR:2018:303 en HR 16 maart 2018, nr. 16/06097, ECLI:NL:HR:2018:359
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:303
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:359

  • 19-04-2018
  • HR 16 maart 2018, nr. 17/01663, ECLI:NL:HR:2018:303 en HR 16 maart 2018, nr. 16/06097, ECLI:NL:HR:2018:359

  • Jits Berns